Door ISO Algemeen op 31 oktober 2013

Hoger onderwijs moet ook het hemd uittrekken

Bij de behandeling van de begroting van OCW is een amendement ingediend door dezelfde partijen die ook het herfstakkoord tekenden (D66, VVD, PvdA, SGP en ChristenUnie). Het amendement stelt een verschuiving voor in de eenmalige incidentele investering in het onderwijs waarbij het geld van het hoger onderwijs naar het funderend onderwijs gaat. Een tegenvallende en gevaarlijke ontwikkeling, aldus het ISO.

Zoals het ISO al eerder meldde is het hoger onderwijs slecht bedeeld in het herfstakkoord. De eenmalige investering in 2014 van 650 miljoen euro via de lumpsum zou volgens de ‘normale’ verdeling worden verdeeld onder de verschillende onderwijssectoren. Echter, de partijen die betrokken zijn bij het herfstakkoord stellen nu voor om in totaal 69 miljoen euro die in het akkoord gereserveerd waren voor het hoger onderwijs, naar het funderend onderwijs te laten gaan.

Om de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs op niveau te houden zijn investeringen nodig, zo onderschrijft ook minister Bussemaker. Maar waar moet dit geld vandaan komen? In het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA) werd slechts een klein bedrag vrij gemaakt voor het hoger onderwijs en ook het bedrag uit het herfstakkoord wordt nu gekortwiekt. Dan blijft er nog maar één optie over: uit de portemonnee van de student. Echter, de opbrengsten van een leenstelsel, welke er op dit moment helemaal niet lijkt te komen, kunnen pas over een groot aantal jaren worden verwacht.

Het ISO waarschuwt voor het creëren van een verloren generatie. Studenten zouden meer moeten gaan lenen, de OV-kaart moet worden ingeleverd en de studenten hebben geen profijt van investeringen in het hoger onderwijs. Immers stellen de partijen voor om de minimale investering in het hoger onderwijs nog verder te verlagen en moeten we, tegen beter weten in, hopen op geld over vele jaren.