Vrijdag 13 november 2009 werd het jaarlijkse congres van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) gehouden, dit jaar getiteld “How do you do(cent)? De positie van de docent binnen het hoger onderwijs”. Ruim 80 deelnemers en verschillende sprekers gingen die dag met elkaar in debat over de rol van de docent.
Het congres werd geopend door Henno van Horssen (voorzitter ISO). Tijdens deze opening gaf hij aan waarom het ISO als studentenorganisatie het thema docentschap heeft opgepakt. “Een docent is het doorgeefluik van kennis en iedereen weet dat scharnierende onderdelen regelmatig gesmeerd moeten worden.” Deze discussie wil het ISO met dit congres starten, want als studentenorganisatie kan het ISO bruggen slaan tussen onder andere de politiek, de koepels, instellingen en het ministerie. Speeches werden gegeven door Doekle Tersptra (voorzitter HBO-raad) en Boris van der Ham (Tweede Kamerlid, D66). Terpstra: “Er heerst in het hbo de intrinsieke overtuiging dat de kwaliteit van de bachelor omhoog moet. Vraag is nu hoe de kwaliteit van de docent zich hiermee verhoudt.” Van der Ham toonde zich voorstander van een prestatiegerichte beoordeling voor docenten. “Het verschil in beloning moet niet langer gebaseerd worden op de opleiding die een docent ooit gevolgd heeft, maar op basis van diens prestaties.”
Na de opening konden alle deelnemers een tweetal rondes van zes workshops bijwonen, waarin de rol van de docent werd besproken. Een algemene lijn in de discussie die opviel was de tweedeling tussen ‘kennisoverdracht’ en ‘studenten begeleiden in hun studieloopbaan’. Kennisoverdracht valt vervolgens ook weer op te delen in enerzijds het beschikken over de inhoud (vakkennis), en anderzijds het lesgeven zelf (de overdracht). Een goede docent moet dit onderscheid zien en hier ook naar kunnen handelen.
Daarnaast werd ook de rol van de student benoemd. Waar een docent beoordeeld wordt, moet ook de student aangesproken kunnen worden wanneer deze onder de maat presteert. “Het taboe moet doorbroken worden dat docenten studenten niet aan durven spreken op hun prestaties.”
Eigenschappen die aan een goede docent werden toebedeeld, waren ‘authenticiteit’, ‘om kunnen gaan met diversiteit’, ‘vakkennis’, ‘enthousiast kunnen maken’ en ‘het bieden van structuur’. Een gehele workshop werd besteed aan de vraag of een docent ook een pedagoog zou moeten zijn. In deze workshop werd geopperd dat de docent tijdens de studieloopbaanbegeleiding niet zozeer aandacht zou moeten besteden aan wat een student wil worden, maar wat de student moet kunnen om dat te bereiken. “Jongeren moeten zo veel keuzes maken, dáárin moeten zij worden begeleid.” Ook werd de vergelijking ‘vakmanschap is meesterschap’ gemaakt. “Een gitaar kan je alleen bouwen als je hem lief hebt”, zo werd gesteld. “En zo kun je alleen goed lesgeven wanneer je het vak lief hebt.”
Om uitval onder docenten tegen te gaan en zo een groter lerarentekort te voorkomen, is het zaak docenten voldoende te stimuleren om docent te worden en te blijven. Middelen die geopperd werden om dit te realiseren zijn meer doorstroommogelijkheden creëren, promotie binnen het onderwijs te stimuleren en wisselwerking te zoeken met het bedrijfsleven. Het liefst nog zou men een mentaliteitsslag zien, waarin er wat meer ‘prestige’ zou ontstaan omtrent het beroep van docent: het zou een eer moeten zijn om docent te zijn.
Tijdens een brainstormsessie werd gesproken over de evaluatie van docenten. Een van de uitkomsten was dat studenten prima in staat zijn om een docent te beoordelen. Belangrijk is wel dat een evaluatie opbouwend van aard moet zijn. Houd het menselijk, dus bespreek een evaluatie face-to-face en zorg dat het een constructief gesprek is. “Een docent is immers een mens, een persoon, dus benader hem ook zo.” Een instrument om docenten te evalueren is de zogenaamde Basiskwalificatie Onderwijs (BKO). Alle universiteiten hebben toegezegd om te gaan werken met deze BKO voor docenten. Echter, de invulling hiervan verschilt nog per instelling. In elk geval is het aan de medezeggenschap op universiteiten om vast te leggen wat er met een BKO advies wordt gedaan. Hier ligt dus een mooie taak voor de lidorganisaties van het ISO.
De dag werd afgesloten met een paneldiscussie. Jan Jacob van Dijk (CDA): “ Als docent heb ik me eens laten evalueren door een cabaretier. Nou, ik heb wel eens leukere gesprekken gehad… Maar ik heb er wel heel veel van geleerd”. Docenten zouden er dus baat bij hebben als hun optreden voor de klas bij tijd en wijle geëvalueerd wordt.
In ieder geval is het ISO tevreden met de inbreng die verkregen is op het congres. Het onderscheid tussen kennisoverdracht en loopbaanbegeleider schetst duidelijk de rol van de docent en dat is van belang wanneer er gekeken gaat worden naar manieren om docenten te beoordelen. Hier ligt een belangrijke taak voor de lidorganisaties van het ISO, zij zijn immers (bijna) allemaal medezeggenschapsorganen en weten als geen ander hoe dit soort dingen in de praktijk werken. Het is het ISO nogmaals duidelijk geworden dat de organisatie een brugfunctie kan spelen en dat zo partijen bij elkaar gebracht kunnen worden. Uiteraard zal het ISO zich hier hard voor maken in volgende overleggen rondom docentschap. Henno van Horssen: “Het was een goed congres en het ISO heeft voldoende inbreng gekregen om nu écht aan de slag te gaan met docentschap in alle facetten. Speciale aandacht gaat naar docentschap als een gewaardeerd beroep, de didactische vaardigheden van docenten en naar mogelijkheden om meer studenten te verleiden om - al dan niet tijdelijk - voor de klas te gaan staan.” Tevens deed Henno een oproep aan de politiek om er bij de overheid op aan te dringen om plaatsen voor “Ëerst de klas” beschikbaar te stellen. Jan Jacob van Dijk was bereid zich hiervoor in te zetten en het ISO zal hem hier aan houden.